De toeschouwer mag zien dat daar mensen met emotie staan te spelen



Ooit had Hein Van de Geyn een leven on the road. Aankomen, soundchecken, eten, kletsen, spelen en weer vertrekken. Uren bezig zijn om in dat ene uur te doen waarvoor je gekomen was.
Dat is verleden tijd. Niet dat de bassist het nu veel rustiger aan doet. Hij componeert, doceert aan het conservatorium en is veelvuldig te zien op de concertpodia. Seizoen 2005/2006 bracht hem ook weer in het Beauforthuis, met drie duo-optredens.

Achtereenvolgens speelde hij er met pianist Enrico Pieranunzi, zangeres Paulien van Schaik en saxofonist Lee Konitz. Harold Konickx sprak met Hein en met Paulien van Schaik.


Een student zei eens tegen hem: ‘als ik zo’n mooie studeerplek had als jij, kon ik ook werken.’ Van de Geyn antwoordde. ‘Hoe denk je dat ik aan zo’n mooie plek gekomen ben? Door te werken.’ Het tekent de achtenveertigjarige. Hij leeft in het hier en nu. En als dat even niet lukt, dwingt hij zich ertoe. Want hij wil, hij zal, en hij moet zijn onbegrensde passie voor de muziek uitleven.

Van het Beauforthuis mag Van de Geyn in navolging van Bert van den Brink en Jesse van Ruller drie mooie avonden maken. De internationaal vermaarde jazz-bassist zal 3 november 2005, 25 februari en 8 april 2006 het podium in Austerlitz opstappen met achtereenvolgens Enrico Pieranunzi, Paulien van Schaik en Lee Konitz. Een pianist, een zangeres, een saxofonist. ‘Het publiek zit er straks met de neus op als ik met deze bijzondere mensen een muzikale dialoog aanga. Ik verheug me daarop.’

roes

Een bas in de hoek, twee piano’s in de huiskamer, her en der verspreide cd’s en partituren. Overduidelijk de sporen van een muzikantenleven. En dat is niet alles. ‘Kom, ik laat je mijn theatertje zien.’ In de kelder van zijn dijkhuis vindt de bezoeker een ruimte met tafeltjes, een tap en een goed ingericht podium. ‘Nu is het een beetje rommeltje, maar je moet het zien als alles er staat zoals het moet. Prachtig. Hier organiseren we regelmatig concerten.’ Hein houdt van gezelligheid. ‘Zal wel iets met mijn Brabantse achtergrond te maken hebben. Aan mij mogen ze horen en merken dat ik uit het zuiden kom. Daar maak ik me inmiddels niet meer druk om.’ Ooit gedaan dan? ‘Ja, in het begin van mijn loopbaan was ik er wel mee bezig om niet provinciaal over te komen.’

‘Als mensen na een optreden naar me toe komen, beginnen ze vaak met zich te verontschuldigen dat ze niets van Jazz weten. Maar je hoeft het helemaal niet verstandelijk te begrijpen. Je auto hoef je toch ook niet van binnen tot buiten te kennen om te voelen of hij lekker rijdt. Niet alleen met de muzikanten ga ik straks in dialoog, ook met het publiek. Een goede sfeer is net zo belangrijk als goed spelen. De toeschouwer mag namelijk zien dat daar mensen met emotie staan te spelen. Jazz is niet elitair, mijn moeder moet ook kunnen begrijpen wat ik doe.’

Is er een bijzondere band met het Beauforthuis? ‘Ik speel er al sinds 1990 en ik kom er heel graag. Het is geen club en ook geen theater in de gebruikelijke zin. Er heerst een prettige voortvarendheid in de lucht. Als ze bij het Beauforthuis een plan hebben, gaan ze ervoor. Dat spreekt me aan. En wat ook belangrijk is: de menselijke passie gaat voor alles. Als een artiest goed is, is die goed en dan staat hij bij wijze van spreken drie keer in een jaar te spelen.’

meditatie

Hein musiceert, componeert, geeft les aan het conservatorium en heeft een eigen label, Challenge Jazz. ‘Om te componeren, moet ik mezelf in een roes brengen. Ik probeer het denkproces wat te remmen. Alleen zo krijg ik de flow te pakken die op het podium, al spelende, bijna vanzelf komt. Schrijven op zichzelf vindt eigenlijk plaats in het spanningsveld tussen het rationele en het intuïtieve. Tussen het controleren en het loslaten. Ik kan het alleen in een opwelling of in opdracht. Het is dan ook niet de kern van mijn muzikant-zijn, daar is mijn manier van werken te oppervlakkig voor. Als je een echte componist wil zijn, moet je er helemaal induiken.’

Hij is altijd een duizendpoot geweest, ook toen hij zelf nog op school zat. ‘Zei ik tegen mijn medestudenten: als jullie voor mij de afwas doen, maak ik voor jullie de analyses. Dat vonden ze dan een rotklus, maar ik deed het naast mijn eigen werk.’ Hein vertelt dat zijn veelzijdigheid hem later ook wel teveel werd. ‘Zat ik bijna te janken als de telefoon ging. Ik was non-stop in contact met de wereld, honderden details. Dat ging niet meer. Toen ben ik op sabbatical leave gegaan naar Zuid-Afrika en had ik ineens een volkomen lege agenda. Na een maand begon het toch te kriebelen en ben ik gaan schrijven aan een basmethode. Met 1 ding bezig zijn dus, dat was heerlijk.’

‘De bas. Dat is de kern van mijn werk. Ik had al vijftien jaar viool gespeeld en toen ontdekte ik zo rond mijn twintigste de bas. Eerst de elektrische. Spelen in bandjes, popliedjes spelen. Maar al gauw ging ik de zanglijnen en solo’s spelen en daarna is het snel gegaan. Ik liet de pop voor wat die was en richtte me op de jazz, ging contrabas spelen, naar het conservatorium en ontwikkelde me snel en soepel. Als een kind bijna. Maar tien jaar later was ik het zat. Er was teveel ruis in mijn spel ontstaan. Het was allemaal heel charmant, maar te oppervlakkig, wat ik niet kon uitstaan. Toen ben ik helemaal opnieuw begonnen met leren. Drie maanden lang oefenen, oefenen, oefenen. Ik had voor mezelf repetitieschema’s gemaakt en daar ging ik. Pure meditatie was het.’

Hein pakt vervolgens zijn bas erbij en laat horen hoe dat proces verliep. ‘Kon je nu maar een mp3 bij je stuk stoppen.’ Hij speelt een toonladder, ‘nee’, speelt hem opnieuw, ‘nee, nee’ en dan nog maar een keer. ‘Zo ging dat dan hè. Vergelijk het met een taal beheersen. Ik spreek best aardig Frans, maar ik weet niet precies wat ik doe. Dat hoeft niet, want ik red me aardig. Maar ik heb ooit besloten dat ik op mijn bas meer wil dan dat. Ik wil geen gemiddelde bassist zijn, of de beste bassist van Roosendaal. Mijn eigen kleur en identiteit, daar gaat het me om.’

Heeft die oefenperiode van drie maanden je daarbij geholpen? ‘Vooraf dacht ik: nu word ik vast sneller en virtuozer. Maar mijn spel werd niet sneller, het verdiepte zich. Heb je de middelen in huis om met je instrument te zeggen wat je wil zeggen? Kun je je gevoel uitdrukken? Daar gaat techniek over. Het is geen acrobatie, maar filosofie. Kijk, het verschil tussen mijn speelwijze voor en na die periode zal alleen voor de goede verstaander hoorbaar zijn geweest. Zo reëel ben ik wel. Maar mijn zelfrespect als muzikant is er enorm door gegroeid: ik had scherper in beeld wat ik uit mijn instrument wil halen.’

heilig

Instrumentbeheersing is taalbeheersing. Wanneer Van de Geyn zijn instrument bespeelt is hij als een schrijver die secuur zijn woorden zoekt. Beiden stellen zich de vraag: heeft dit woord, heeft deze noot de zeggingskracht die ik erin zoek? ‘Het spelen zelf kun je vergelijken met een goed gesprek tussen mensen. Het kan steeds alle kanten uit. Als mensen met elkaar praten, zitten daar ‘eh’s’ en ‘ah’s’ in, versprekingen, half uitgesproken zinnen. Als de gesprekspartners iets te vertellen hebben, fascineert dat. Ik geloof heilig in dit wezenlijke aspect van jazzmuziek, dat de luisteraar toeschouwer is bij de muzikale gesprekken die ter plekke ontstaan. Gecomponeerde muziek is zo anders, want de taal wordt zorgvuldig afgewogen, aangescherpt en verbeterd. In vorm is het veel beter natuurlijk, maar de emotie in de directe dialoog kan zoveel sterker zijn.’

Als iemand zo gepassioneerd is over zijn muziek, kan het niet anders of hij was het ook wel eens beu. Tien jaar geleden was dat zo. ‘Ineens háátte ik jazz. Toen ben ik radicaal gestopt met luisteren en heb ik een jaar lang geen plaat opgezet. Ik luisterde in die periode voornamelijk naar Braziliaanse muziek.’
Maar van Jazz-moeheid is inmiddels geen sprake meer, zo enthousiast is Van de Geyn over de ‘gesprekken’ die hij in het Beauforthuis gaat voeren. Het eerste is met Enrico Pieranunzi. ‘Het wordt zo’n gesprek waarop je je goed voorbereidt, waarvoor je op tijd naar bed gaat. Een gesprek over wezenlijke zaken.’

‘Het is geen acrobatie, maar filosofie.’ Hein Van de Geyn wil diepgang, hij zoekt de lyriek in zijn spel. ‘Heb je de middelen in huis om met je instrument te zeggen wat je wil zeggen? Daar gaat speeltechniek uiteindelijk over. Niet over snelheid.’

De muzikant die zijn instrument beheerst, beheerst zijn taal. Van de Geyn vergelijkt jazz spelen dan ook met het voeren van een gesprek. Ter plekke ontstaan versprekingen en half uitgesproken zinnen en gedachtes. Dat fascineert mits de gesprekspartners ook daadwerkelijk iets te vertellen hebben, mits er met gevoel gespeeld wordt. Van de Geyns identiteit als gesprekspartner zal veelkleurig blijken in deze reeks concerten. De saxofonist daagt hem uit op een inspirerende zoektocht en de pianist vergt van hem een opperste concentratie, spelen met de zangeres geeft hem de sensatie van absolute vrijheid.

onderhuidse spanning

Eerste op rij is het concert met pianist Enrico Pieranunzi. ‘Het wordt zo’n gesprek waarop je je goed voorbereidt, waarvoor je op tijd naar bed gaat. Een gesprek over wezenlijke zaken. Zoals een gesprek tussen twee innige vrienden kan zijn. We hebben de intentie om helemaal tot de kern te gaan.’
Pieranunzi is een generatiegenoot van de Nederlandse bassist. Hij heeft een indrukwekkend curriculum, gespeeld met alle groten. Ook deze gigant lijkt het er niet om te gaan door dat curriculum of door zijn speltechniek indruk te maken. Een jazz-encyclopedie schrijft over hem: ‘Pieranunzi speelt met elegante terughoudendheid, en hij maskeert zijn virtuositeit daardoor subtiel en maakt de onderhuidse spanning juist groter.’ Van de Geyn voelt zich muzikaal erg verbonden met de Italiaan. ‘Als ik met hem speel ben ik het meest authentiek. Formeel is er veel aan de hand, hij maakt het me zeker niet gemakkelijk.’
Lee Konitz sluit de rij concerten af. ‘Met Lee is de cirkel rond.’ Van de Geyn heeft in 1990 zijn eerste cd gemaakt met de saxofonist, Meets. ‘Qua leeftijd zou hij mijn vader kunnen zijn. Ik voer een gesprek met een wijze, diepzinnige man. Lee is in zijn spel een onderzoeker en ik volg hem. Soms loopt de zoektocht dood en soms vinden we. Het onderwerp van gesprek is altijd licht.’

muzikale klik

‘Het gesprek met Paulien van Schaik is vriendschappelijk en warm. Als luisteraar word je ondergedompeld in emoties. Zij brengt een nummer zó natuurlijk. Ik cirkel er dan heel vrij omheen met mijn dansende bas.’
Hein Van de Geyn en Paulien van Schaik kennen elkaar sinds het eind van de jaren tachtig. In leeftijd verschillen ze ruim tien jaar. Hij gaf een workshop aan het conservatorium in Utrecht.
In haar Amsterdamse woonboot licht de zangeres het welwillend toe: ‘Het was niet zo dat we meteen met elkaar gingen spelen, maar toen ik terug was van Boston, waar ik een tijd gestudeerd heb, had ik eigen liedjes en daar had ik ook opnames van. Dat had Hein op de een of andere manier gehoord en toen belde hij: wanneer gaan we eens wat doen.’
Ze gingen opnames maken van die eigen liedjes ‘op een Atari, vrij primitief was dat’, en ontdekten hun muzikale klik toen ze na de opnames improviseerden op jazz standards. Ze probeerden dat materiaal uit in de Dordtse Jazz Sociëteit en organiseerden een aantal sessies in Van de Geyns theater. Uit de opnames van deze optredens kwam in 2001 de cd Tenderly.

vergrootglas

‘Als Hein zegt dat het ons muzikale gesprek warm is, dan kan ik me daar wel iets bij voorstellen. We voelen elkaar muzikaal goed aan. En hij weet van mij dat ik in de tekst van een nummer kruip.’ Hoe werkt dat dan? ‘Als je een nummer van een ander uitvoert, in de jazz is dat vaak het geval, is het belangrijk dat je het nummer echt naar je toetrekt. Ik speel het nummer voor mezelf op de piano, ik spreek de tekst en let heel goed op de details: is het verschil of ik the man Í love of the mán I love zing? Als ik met Hein speel, is het helemaal alsof er een vergrootglas op komt te staan. Ik kan me nergens achter verbergen. Het publiek heeft er niets mee te maken wat ik precies voel als ik een nummer breng, maar het publiek moet wel zien dát ik iets voel. Anders kan ik net zo goed een boodschappenlijstje opzeggen.’
En voelt het spelen als dansen? ‘We reageren veel op elkaar. In jazz moet je inderdaad die vrijheid opzoeken, want de stukken zijn al heel vaak gespeeld. Ik heb Lover Man al ik weet niet hoe vaak gezongen. Dus we moeten het voor onszelf spannend maken, anders kunnen we dat nummer niet overbrengen op het publiek.’
In het Beauforthuis komen er strijkers bij. Welke wending geeft dat aan de muziek? ‘Hoe meer muzikanten hoe meer de dingen vast komen te liggen. In de repetities gaan we onderzoeken waar de vrijheden liggen. Leuk en spannend.’

ballast

‘Ik heb een keer meegemaakt dat Hein bij wijze van spreken vanuit het vliegtuig het podium op moest. We hadden nauwelijks tijd om elkaar gedag te zeggen, maar we gingen er staan en toen gingen we gewoon spelen. Ik heb van Hein geleerd dat je alles van je af moet laten glijden als speelt. Geen zorgen hebben of mensen het wel mooi vinden. Dat is overtollige ballast. De essentie is namelijk: contact maken, de nummers overbrengen. Gaandeweg leg je steeds meer van dat soort ballast van je af.
‘Zo heb ik ook moeten leren om niet steeds harder en hoger te willen zingen. Veel van mijn zingende voorbeelden zijn immers zwart, dus wilde ik net als zij een flinke strot opzetten. Zoals Chaka Khan bijvoorbeeld. Maar ik ben niet zwart. Ik beperkte mezelf door het ‘iemand anders willen zijn’ en bloeide pas echt op toen ik zo rond mijn dertigste mijn eigen stem gewoon accepteerde.’

direct

Behalve dat ze uitvoerend musicus is schrijft Van Schaik dus ook eigen werk. Daarmee bereikte ze in 1997 de finale van de Grote Prijs van Nederland. ‘Dat was wel heel mooi voor ons, maar het is moeilijk om er echt mee aan de bak te komen, of ervan te leven.’
Het jazz zingen ontdekte ze al op het conservatorium, met dank ook aan de lessen van Edwin Rutten. Het geeft haar een stevige basis: ze maakte platen in het genre, won de Edison publieksprijs voor Tenderly en speelde op North Sea Jazz Festival. Maar het bloed kruipt toch waar het niet gaan kan. ‘Als je uitvoerend musicus bent, komt het schrijven vaak op de laatste plaats. Maar ik voel het kriebelen, ik wil graag weer schrijven, heb ook wel weer nieuw materiaal liggen. Het komende jaar is wat dat betreft een investeringsjaar.’
Hoewel ze tot nu toe vooral in het Engels zingt, merkt ze dat er veel Nederlandse zinnen komen opborrelen. ‘Ik wil graag uitzoeken hoe dat zit. Het maakt heel veel uit of je I love you of Ik hou van jou zingt. Het Nederlands is zo direct.’ Ze houdt van de directheid die ze bijvoorbeeld vindt in de rauwe countrysongs van de Amerikaanse zangeres Lucinda Williams. ‘Haar eerlijkheid is bijna te pijnlijk. Dat ze dan in een liedje eenzelfde regel drie keer achter elkaar zingt, maakt niets uit.’

Dus ze gaat nog een keer een countryplaat maken?
‘Wie weet.’



Laatste Nieuws